HomearrowTelevisiearrowZuiderzeevertellingen (online)

VOC-vertellingen

Wilde vaart

De VOC verdiende niet alleen aan de naar het vaderland meegenomen waren, maar vooral ook aan de intra-Aziatische handel. Door heel Azië traden de Hollanders op als vrachtvaarders die werkelijk van alles verhandelden en alle mogelijke waren van het ene oosterse land naar het andere sleepten. Of er nu een sultan een witte olifant nodig had, de Chinezen van bladtin gemaakt namaakgeld wensten dat ze verbrandden bij crematies, Hindoes wierook voor de tempels wilden, Javanen kleurige omslagdoeken wensten, om opium voor zieken en verslaafden werd gevraagd, de VOC kon het leveren. Batavia zat als een spin in het web en van alle kanten stroomden de waren binnen. De haven krioelde van de schepen van Chinezen, Indiërs en Buginezen. Op de rede lagen de logge fluiten en spiegelschepen van de VOC. De bewindhebbers ver weg in Nederland keken vooral naar het rendement van de aandelen. De gouverneurs in Azië moesten zich maar zien te redden. Jan Pieterszoon Coen schreef een eindeloze reeks brieven aan de Heren XVII om meer geld, materiaal en mensen om de zaak echt goed op poten te zetten. Coen dacht al aan een groot koloniaal rijk zoals dat pas veel later onder Koning Willem I zou worden gerealiseerd. Het streven van de bewindhebbers was dat er in Azië zoveel geld kon worden verdiend om de inkopen te betalen, dat er nauwelijks of geen geld uit Nederland hoefde te worden gestuurd. Daarom verkocht en ruilde de VOC in Azië alles wat los en vast zat. Kruidnagelen op Formosa voor zijde. Zijde op Deshima voor zilver, nootmuskaat in India voor stoffen. Het streven was om een monopolie te krijgen in de handel in de meest winstgevende artikelen. Een bijna onmogelijke opgave. Want men moest dan het gebied van herkomst hermetisch afgrendelen voor smokkelaars en indringers. Dat lukte lange tijd met de nootmuskaat. Het groepje Banda-eilanden, in de 17de eeuw de enige plek in de wereld waar nootmuskaatbomen groeiden kon met een overmacht aan forten en een zware bezetting in handen worden gehouden.

Met de kruidnagels op de Molukken was dat al moeilijker want op verder van Ambon gelegen eilanden kon men makkelijk kruidnagelbomen planten en sluikhandel drijven. Daartegen werd rigoureus opgetreden. Regelmatig werden de bewoners van de Molukse eilanden gedwongen om met hun grote roeiboten, de cora-cora’s compagniesdienaren langs de eilanden te varen. Kruidnagelbomen buiten het aangewezen gebied werden gekapt en als de bewoners het waagden nieuwe bomen te planten werden dorpen platgebrand en de bevolking verdreven of gedood. Wat betreft kaneel en olifanten lukte het lange tijd om op Ceylon een monopolie te handhaven, maar peper dat op veel plaatsen langs de Indiase kusten groeide was niet te De koning van Cochin (India)bewaken. Een probleem was ook om de prijzen van de specerijen in de hand te houden, niet te hoog want dan zakte de handel in, maar zeker niet te laag. Er werden al in de 17de eeuw plannen ontwikkeld om de prijzen te drukken door de productie vanaf de bron in handen te hebben. In India werd door de VOC geprobeerd om diamantmijnen te ontwikkelen. Op Sumatra ging men goudaders exploiteren. Er werden pogingen gedaan om suikerplantages aan te leggen. Het werd geen succes. De Nederlanders waren nog lang geen mijnbouwkundigen of planters. Het waren kooplui, die hooguit onder dwang producten lieten verbouwen zoals door de Javaanse boeren die bij wijze van belasting een deel van hun rijstoogst moesten afstaan ten behoeve van het inlands personeel in dienst van de VOC en verder om te verhandelen in Azië. In Nederland at nog niemand rijst en ook de Hollanders in dienst van de VOC aten bij voorkeur de erwten en bonen, het spek en de kaas die per schip werden aangevoerd. Een van de oorzaken van het feit dat de VOC uiteindelijk ten onder ging was de zuinigheid. Aan de ene kant stelde men zich voor vat te krijgen op geheel Azië - Coen deed serieuze pogingen om zelfs het machtige China op de knieën te krijgen - aan de andere kant wilde men zo weinig mogelijk investeren: niet wat handelskapitaal betreft, niet in de gebouwen, niet in de salarissen. De Hollanders waren dan ook bepaald niet de meest geliefde handelspartners in Azië, terwijl de uiterst karige salarissen van hoog tot laag sluikhandel, smokkel en corruptie in de hand werkten.
photo_vervolg_23.jpg