HomearrowTelevisiearrowZuiderzeevertellingen (online)

VOC-vertellingen

De vaarweg vinden

De mensen in de middeleeuwen hadden een heel eenvoudige voorstelling van de aarde als een soort platte pannenkoek met rondom water. Boven was de hemel en onder het water de hel. Als er dan ook een grote walvis aan land spoelde, beschouwde men dat als een monster uit de onderwereld dat onheil voorspelde. De Chinezen en de Arabieren hadden heel andere gedachten over de aarde en het heelal. Langzaam bereikte die wetenschap Europa. Maar toen Columbus zijn grote ontdekkingstocht maakte waren de zeelui nog bang dat ze te ver van land zouden raken en op een gegeven moment in een peilloos diepe afgrond storten. Gaandeweg werd het iedereen duidelijk dat de aarde rond was, dat de maan om de aarde draaide en de aarde om de zon. Toen de eerste reizen naar Azie werden gemaakt vergeleek men oude kaarten van de Grieken en de Arabieren en brachten de geografen na iedere ontdekkingsreis verbeteringen aan. Uit verhalen van reizen naar Rusland had men begrepen dat het mogelijk moest zijn om langs de Noordpool naar Azië te varen. Dat zou goed uitkomen voor de Nederlanders want dan had men geen last van de Spanjaarden en de kapers bij Duinkerken en Noord-Afrika. Verschillende malen werd geprobeerd om een noordreis te maken. Maar de schepen liepen vast in het ijs en iedereen kent het verhaal van Willem Barentsz., die onder barre omstandigheden met zijn bemanning op Nova Zembla moest overwinteren.

De schippers hadden de opdracht om de kaarten telkens te vergelijken met de werkelijke situatie en waar nodig verbeteringen aan te brengen. Ze tekenden markante punten aan en schetsen kustlijnen zodat volgende VOC zeeschepen bergen of baaien konden herkennen. Bij aankomst moesten de kaarten direct bij de VOC kantoren worden ingeleverd om te voorkomen dat de concurrerende landen de gegevens in handen zouden krijgen.

Om op volle zee te weten waar men zich bevindt is het nodig om de lengte en de breedte te weten. Daarvoor worden denkbeeldige lijnen over de aarde getrokken die op kaarten en globes echt zijn aangegeven. Als men Navigatie-instrumentende aarde voorstelt als een dikke man dan is zijn broekriem de evenaar. Op vaste afstanden naar de noord- en de zuidpool lopen dan de breedte lijnen. Op een bepaalde dag staan de zon en de sterren op een bepaalde hoogte. Als men nu op een vast moment, bijvoorbeeld om 12 uur overdag of ‘s nachts de hoogte van de zon meet met een Jacobsstaf of een astrolabium dan weet men ongeveer op welke breedte men is. Op het noordelijk halfrond is de poolster een duidelijk baken maar die is op het zuidelijk halfrond niet te zien en dus moest men bij de reizen naar Azië ook de sterren van het zuidelijk halfrond bestuderen. De zeelui leerden een versje op de wijs van een psalm met de namen van de sterrenbeelden en de data waarop ze op een bepaalde plaats te zien waren. Het meten van de lengte was nog veel moeilijker. De lengtelijnen lopen van pool tot pool. Om te weten waar men is tussen twee lengtes moet het tijdstip tijd bekend zijn. In onze tijd is dat heel eenvoudig we weten op de hele wereld precies hoe laat het is en als we naar het oosten gaan is het telkens een uur later omdat de zon daar eerder is opgekomen. Maar in de tijd van de VOC had men geen Titelpagina van navigatieboek 'De Lichtende Zeefakkel'nauwkeurige uurwerken aan boord. Men weet dus wel dat het op de plaats waar men vaart ongeveer 12 uur is als de zon op het hoogste punt staat, maar niet hoeveel tijd men dan van een andere lengtelijn is. De tijd werd gemeten met zandlopers, die telkens na een half uur werden omgedraaid waarna met de scheepsbel het aantal "glazen" werd geslagen. Een wacht duurde bijvoorbeeld 4 uur, dus 8 glazen. De snelheid werd gemeten met een log, dat is een driehoekig met lood verzwaard plankje aan het eind van een touw met knopen. Men gooide de log overboord en draaide een zandlopertje om dat 15 of 30 seconden aangaf. Het log bleef recht in het water staan, de knopen schoten door de handen van de man die de log liet vieren en dan telde men hoeveel knopen er voorbij gingen tot de 15 seconden om waren. Nog altijd wordt de snelheid van schepen in knopen gemeten. Tenslotte was er het kompas, een magnetische naald die naar de noordpool wijst. En er werd regelmatig met een dieplood gemeten hoe diep de zee was, ook al weer met een lijn met knopen. Het lood was hol aan de onderkant. Daar smeerde men wat vet zodat een monstertje van de bodem mee naar boven kwam. Al met al was het heel ingewikkeld om de weg op zee te vinden, waarbij ook nog eens rekening moest worden gehouden met zeestromingen en moessonwinden. De zeelui kregen les, maakten onderweg aantekeningen die later door de kaartenmakers werden verwerkt, gebruikten boekjes vol gegevens over de stand van de sterren en de diepten op allerlei plaatsen. En verder kwam het vooral aan op ervaring. Men kan bewondering hebben voor de zeelui van de VOC die aan de kleur van het water, monstertjes van de bodem en de stand van de sterren konden gissen waar ze waren.
photo_vervolg_21.jpg