HomearrowTelevisiearrowZuiderzeevertellingen (online)

VOC-vertellingen

Aan boord

De bemanning van de VOC was een allegaartje. De zeelui kwamen overal vandaan. Arme boerenzoons uit Duitsland, ontslagen soldaten uit heel Europa, vluchtelingen, ontsnapte gevangenen, weesjongens die geen baan konden vinden of jongens die de pech hadden dat ze niet de oudste in het gezin waren en daardoor niet het bedrijf of de boerderij konden erven en dan ook geen geld hadden om te trouwen. Het was riskant om bij de VOC te monsteren, want maar een van de drie zeelui keerde terug in het vaderland. Als de VOC mensen nodig had ging er een tamboer door de straten. Meestal was er belangstelling genoeg en was het een gedrang van jewelste bij de VOC-kantoren. Er werden opwindende verhalen verteld over verre landen en mooie meisjes en de mogelijkheid om zelf wat bij te verdienen als je handig was. De scheepskisten waren groot genoeg om er wat peper of nootmuskaat in te stoppen en zo lang je het niet te gek maakte werd daar niet moeilijk over gedaan. Als er te weinig zeelui waren riep de VOC de hulp in van "zielverkopers", meestal logementhouders die met mooi praatjes zeelui binnenlokten en hen geld en onderdak boden en zorgden voor de verplichte inhoud van de scheepskist met hemden en broeken, borden, lepels, een pijp, een bijbel en andere zaken. Vaak maakten de zeelui daarmee zulke schulden dat ze hun loon van de heenreis al meteen kwijt waren.

Zodra het schip uitvoer begon het zware zeemansleven. De mannen sliepen in hangmatten onder dek. Als het slecht weer was moesten de luiken dicht blijven en werd het er stinkend benauwd. Iedereen had een nauwkeurig omschreven taak. MVOC-kist met inhouden was verdeeld in groepen die samen uit een pot aten, een bak. De uitdrukking "aan de bak komen" wijst er nog op dat je er snel bij moest zijn anders was de etensbak leeg. Aan boord was een ijzeren tucht. Er werden allerlei talen door elkaar gesproken, maar het werd iedereen snel duidelijk wat er werd verwacht. Behalve de zeelui waren er de soldaten die meevoeren omdat ze ergens in een van de compagniesforten dienst gingen doen. De zeelui hadden het niet erg begrepen op de soldaten die hen alleen maar voor de voeten liepen. En omgekeerd keken de soldaten neer op de zeelui, vooral als het op vechten aankwam. De straffen waren streng. Er werd gegeseld voor vloeken of dobbelen. Een dief werd met een mes door zijn hand aan de grote mast gestoken en moest dan maar zien los te komen. Je kon met water en brood helemaal voor in het schip worden opgesloten. Een zware straf was het kielhalen waarbij je van de ra moest springen en dan onder het schip werd door getrokken, vaak tot drie maal toe, veel zeelui overleefden dat niet. Een lugubere straf was het eenzaam achterlaten op een onbewoond eiland.

Matrozen in het wantHet eten aan boord was slecht. Het drinkwater raakte al snel bedorven. Men probeerde de diertjes in het water te doden door er een hete staaf in te steken, maar toch moesten de zeelui met de tanden op elkaar het water naar binnen slurpen om niet allerlei ongedierte in te slikken .Verder kregen de zeelui bier en per dag een kannetje jenever om de mond te zuiveren Er werd pap gegeten, brood , bonen en erwten. Soms spek, worst en kaas. De lui achter de mast, de schipper en zijn officieren en de passagiers, hadden het veel beter. Zij kregen vers vlees, goede wijn en andere lekkernijen. Daarvoor werden levende kippen, varkens en koeien meegenomen en kruiden in potten gekweekt. De bemanning kreeg veel te weinig vitaminen en ging dan lijden aan scorbuut of zoals de zeelui zeiden: scheurbuik. Het tandvlees ging ontsteken, de benen zwollen op en vaak ging de patiënt dood. Later nam men vruchten en kruiden mee die veel vitaminen bevatten en daardoor verdween de scheurbuik. Als er iemand ziek was werd de chirurgijn te hulp geroepen. Meestal niet zo’n goede arts. Hij was wel handig in het aderlaten en ledematen afzetten wat nogal eens voor kwam als er werd gevochten met vijanden of kapers. Veel belangrijker vonden de heren van de compagnie dat er werd gezorgd voor het zielenheil van de opvarenden en daarom ging er een ziekentrooster mee die regelmatig godsdienstoefeningen moest houden en gebeden zeggen als er een dode zeeman overboord werd gezet. Bij het werk aan boord gebeurden allerlei ongelukken. Bij het neerlaten of ophalen van de zeilen viel er nogal eens een zeeman uit het wand . De meeste zeelui konden niet zwemmen en voordat het zware schip was gedraaid was de drenkeling al onder water verdwenen. Meestal voer het schip dan ook gewoon door als er iemand over boord viel. In Kaap de Goede Hoop konden de zeelui even op adem komen. Er werd vers water, groente en fruit in genomen. De zieken konden aan land opknappen. De zeelui vermaakte zich na de lange eentonige weken aan bord in de vele kroegen aan de Kaap en verloren daarmee vaak al het geld dat ze tot zover verdiend hadden.
 
photo_vervolg_01.jpg