VOC-vertellingen
Selecteer een Hoofdstuk
Timmermansoog
Toen de Russische tsaar Peter de Grote naar de Zaanstreek kwam om de kunst van het schepen bouwen te leren was hij een beetje teleurgesteld. Er waren namelijk geen tekeningen of boeken en er werd geen les te geven. Schepen werden gebouwd door timmerlui die het vak hadden geleerd van een meester-timmerman. Werf door Ludolf BakhuyzenZe gebruikten geen tekeningen maar werkten "op het oog". Een scheepstimmerman zocht zelf de bomen uit die door de wind zo gegroeid waren dat de stammen of zware takken op natuurlijke manier de spanten vormden. Uit Scandinavië kwamen de bomen die op de werven met lange zagen tot planken werden verzaagd. Een inspannend werk dat later door de houtzaagmolens in de Zaan werd overgenomen. Het duurde een maand of acht voordat een schip klaar was. Behalve de timmerlui waren er allerlei ambachtslui aan het werk zoals mastenmakers, smeden, zeilmakers en touwslagers. Om iedereen zo gelijkmatig mogelijk aan het werk te houden werden de schepen als het ware aan de lopende band gebouwd. Er lag dan een rijtje schepen waarvan men van de eerste net de kiel had gelegd, een volgende werd afgetimmerd, een derde opgetuigd, een vierde afgewerkt enzovoort.De Hoornse VOC-werfZo kon men de ambachtslui zoveel mogelijk het jaar rond bezig houden. De meeste retourschepen van de VOC waren spiegelschepen, zo genoemd naar de meestal prachtig versierde vlakke achterzijde: de spiegel. Boven achter waren de kajuiten en de eetzaal voor de officieren en de passagiers. Voor de mast verbleef de bemanning met hun hangmatten en scheepskisten tussen de lading. De ruimen waren het belangrijkst want daar moesten de kostbare waren worden opgeslagen, goed beschermd tegen vocht en zo ingepakt dat bijvoorbeeld het porselein niet kon breken.
De kamer waar het kruit werd bewaard was extra versterkt en de kombuis was voorzien van een stenen vloer en betegelde wanden om brand te voorkomen. Het schip was voorzien van een groot aantal kanonnen in alle soorten en maten want onderweg dreigde gevaar van vijanden en zeerovers. In de beginjaren van de VOC hadden de schepen bovendien de opdracht om de Spanjaarden en Portugezen waarmee Nederland in oorlog was, zoveel mogelijk schade toe te brengen.
Behalve spiegelschepen beschikte de VOC ook over jachten, kleinere, snelle schepen die berichten konden overbrengen of op verkenning werden gestuurd. Tijdens een van de eerste VOC reizen werd het jacht De Duyfken er op uit gestuurd om onbekende landen te verkennen. Men kwam zonder het zelf te beseffen voor de kust van Schip in stormAustralië. Dat is de reden dat De Duyfken is nagebouwd en de reis van Australië naar Nederland maakt met de bedoeling daar in 2002 tijdens de herdenkingen aan te komen. De koopman Liorne uit Hoorn bedacht het fluitschip. Niemand weet meer waar die naam vandaan komt. Het is een schip zonder spiegel, maar met een ronde achterkant. Het is een heel praktisch schip want het dek is smal: hoe breder het dek hoe meer belasting je moest betalen. De tuigage is zo eenvoudig mogelijk, dat was nodig omdat de helft van de VOC bemanning uit het buitenland kwam en vaak nog nooit de zee had gezien. Het ruim is wijd en de bodem vlak zodat men dicht bij de kusten kon komen en makkelijk rivieren opvaren. Toen het eerste fluitschip werd gebouwd werd Liorne door veel collega’s uitgelachen. Maar later is het praktische schip in heel Europa nagebouwd.
Een goed gebouwd en net onderhouden VOC schip kon zo’n 15 jaar dienst doen. Dan werd het verkocht om nog een paar jaar t varen op korte afstanden in Azië of Europa of het werd gesloopt. Soms vergingen schepen in stormen of doordat ze op de rotsen of riffen liepen, maar in totaal ging het daarbij om maar drie procent. Verreweg de meeste schepen hielden het jaren vol. Het grootste probleem was dat de houten schepen onderweg helemaal begroeid raakten. Ze moesten dan opzij worden getrokken en schoongebrand. Een goed gebouwd en schoon schip voer naar Azië met een gemiddelde snelheid van 5 km per uur, de snelheid van een voetganger. Dat betekent dat men als alles mee zat van Amsterdam tot Batavia zo’n zeven maanden onderweg was.
