VOC-vertellingen
Selecteer een Hoofdstuk
Vette winsten
Bij het opzetten van de VOC leek het erop of de compagnie de tijd ver vooruit was met aandelen uit alle lagen van de bevolking. Dominees, schoolmeesters, dienstboden, vroedvrouwen en timmerlui keerden hun spaarpot om en gingen beleggen in de VOC. Al snel bleek dat het vooral om hun geld te doen was. De VOC keerde de eerste jaren geen dividend uit, maar investeerde de winsten in nieuwe ondernemingen. Hierdoor zakte het animo bij de gewone man snel. De aandelen werden opgekocht door de regenten en weldra was het bedrijf in bezit van de kleine groep gezeten families die de economie in handen had. Zij behaalden vette winsten, vooral gedurende de eerste jaren van de VOC. Dat geld moest geïnvesteerd worden, deels in nieuwe aandelen, maar voor een groot deel in andere zaken.Foreestenhuis in HoornEr waren aandeelhouders die hun geld gebruikten voor de grote droogmakerijen van de 17de eeuw, zoals de Schermer en de Beemster. Volgens de plannen van Leeghwater werden de grote plassen droog gemalen. Er werden kaarsrecht wegen aangelegd en vaarten gegraven. Overal werden boerderijen gebouwd. De boeren legden zich onder meer toe op de lucratieve vetweiderij. De VOC was daarbij een goede afnemer bij het bevoorraden van de schepen. De investeerders trokken pacht, deelden in de opbrengst en lieten een deel van de boerderij voor zich reserveren om er de zomer door te brengen. Nog altijd zijn er boerderijen in de Beemster met een zogenaamde herenkamer. Andere wilden meer comfort tijdens hun verblijf op het land en lieten tussen de boerderijen prachtige buitenhuizen zetten. Niet alleen in de Beemster, maar ook in de omgeving van Velsen, vlak achter de wildrijke duinen, of langs de Vecht en de Amstel. Buitens als Trompenburg in ‘s Graveland, Oostrust in Nieuwer Amstel of het Foreestenhuis in Hoorn zijn voor een groot deel met VOC winsten tot stand gekomen. De bewindhebbers en kooplui die in Azië vertoefden behoorden vaak echt tot de "nouveau riche", de corruptie in de VOC gewesten tierde welig. De bestuurders zagen kans zich op vaak schandelijke wijze te verrijken. Veel buitens hadden prachtige behangsels aan de muur. Dit is een in Hoorn gemaakt behangselontwerp in aquarelNiet alleen door allerlei persoonlijke zaakjes op te zetten, peper, ivoor en edelstenen voor zichzelf te kopen, maar ook door te beknibbelen op de rantsoenen voor de zeelui tot eigen profijt en de inlanders die voor de VOC werkten nog minder te betalen dan waar ze recht op hadden om het verschil in eigen zak te steken. Degenen die behouden uit Azië terugkeerden waren vaak puissant rijk en wilden dat tonen met protserige huizen, een stoet van bedienden en prachtige rijtuigen. Om nog meer aanzien te verwerven kochten de rijken titels van verarmde landheren. Een voorbeeld daarvan is de in Malacca geboren Willem Decker, die de heerlijkheid Ursem in Noord-Holland verwierf. Het bracht hem weinig inkomsten maar wel een titel en een familiewapen. Maar de heer die een aantal jaren gouverneur van Malacca was geweest en met succes de opstandige Radja van Johore had verjaagd, kon niet op tegen de eigengereide kerkenraad van Ursem die volgens oud gebruik op eigen houtje een dominee en een schoolmeester benoemde. De Heer van Ursem voelde zich gepasseerd en reisde briesend van woede naar zijn bezitting. De zaak liep tot de Hoge Raad, maar Decker moest bakzeil halen, want niet alles was met geld te koop.
Een heer van stand moest ook van zijn belangstelling en kennis blijk geven en verzamelde daarom zeldzaamheden of zoals men zei: rariteiten. Dat waren schilderijen en prenten, kaarten en globes, maar vooral ook vreemde objecten, bij voorkeur uit verre landen zoals de VOC gewesten. De zeelui namen allerhande zaken mee: schelpen, wapens, veren, beeldjes en zelfs levende dieren. Een bewindhebber uit India nam een jonge rinoceros mee naar Nederland. Jarenlang sleepte hij het inmiddels volwassen geworden dier door heel Europa en verdiende er veel geld mee. Langs de Amstel in Amsterdam waren allerlei winkeltjes waar rariteiten uit Azië, Afrika en Amerika werden verkocht. Rembrandt was er een graag geziene klant want hij kocht gretig en zonder afdingen de meest uiteenlopende dingen om die toe te voegen aan zijn verzameling en vooral om als voorbeeld te gebruiken in zijn schilderijen en etsen.
Anderen zoals de arts Paludanus in Enkhuizen verzamelden voorwerpen echt uit wetenschappelijke belangstelling en vooral bij het zoeken naar nieuwe medicijnen. Peper, kruidnagelen, gember en nog veel meer kruiden en specerijen werden immers door de mensen in overzeese gebieden gebruikt tegen allerlei kwalen en vaak ging het daarbij om bruikbare medicijnen, zoals kruidnagels tegen kiespijn. Maar de meeste verzamelaars ging het er vooral om, mee te kunnen doen met de mode. Veel regentenhuizen en buitens hadden een rariteitenkabinet waar de heer des huizes zijn gasten mee naar toe nam om te pronken met zijn bezit en de meest wonderlijke verhalen over de herkomst te vertellen. Als de calvinistische dominees pruttelden over alle luxe en spilzucht had men een pasklaar antwoord door te zeggen dat men vooral verzamelde uit bewondering voor de grootsheid van de schepping.
