Kolhorn Van lelijk eendje tot zwaan
Het verhaal
Kolhorn is het lelijke eendje dat een zwaan werd. Kolhorn werd eeuwenlang achtervolgd door pech, maar wist altijd te overwinnen. Nu is Kolhorn een beschermd dorpsgezicht en misschien wel een van de mooiste en best bewaarde voormalige Zuiderzeedorpen.
Ooit lag Kolhorn in de bocht van de Omringdijk, met aan de ene kant de dreigende zee en aan de andere kant een handvol huisjes verscholen aan de voet van de dijk.
In de tijd van de VOC vonden de mensen in Kolhorn een bestaan met het overladen van zeeschepen die hier op de rede lagen. De waren werden over de dijk gesleept en in schuiten langs de binnenwateren naar Schagen en verder landinwaarts vervoerd. Met de aanleg van het Noord-Hollands kanaal kwam aan die bedrijvigheid een eind. Er werd alleen nog turf en wier over de dijk gehaald en daaraan herinneren de turfschuren waarvan er nog enkele overeind staan, te nauwer nood gered van de ondergang. Een van de vroegere turfschuren is ingericht als museum.
In het jaar 1788 werd Kolhorn getroffen door een grote ramp. In de bakkerij aan de Oude Streek ontstond een brand die vrijwel het hele dorp in de as legde. Het arme dorp had niet genoeg geld voor de herbouw. Schoolmeester Richter Zwart maakte een verslag van de brand dat als pamflet door heel Noord-Holland werd verspreid. Veel mensen werden geroerd door alle leed die Kolhorn had getroffen. Er werd spontaan geld bijeen gebracht tot het voor die tijd kolossale bedrag van F 18000,- Met een aanvullende lening kon Kolhorn aan de slag. De kerk werd herbouwd. Er omheen kwamen nieuwe huizen.
Hoofdmiddel van bestaan in het nieuwe Kolhorn was de visserij, waaraan de vele eenvoudige vissershuisjes herinneren. Maar met de aanleg van de Waard- en Groetpolder in 1844 kwam ook aan deze bron van inkomsten een eind. De vissers die nog over waren voeren in hun Staverse jol verder uit de kust en gingen zich bezig houden met de vangst van ansjovis totdat de drooglegging van de Wieringermeer ook daaraan een eind maakte.
Ondertussen wilde er op het nieuw zilte land voorshands nog geen graan groeien. Het enige gewas dat op de brakke grond gedijde was meekrap. Een gewas waar de Zeeuwen mee vertrouwd waren. Het gevolg was dat een kolonie Zeeuwen zich in Kolhorn vestigde vergezeld van hun eigen huisarts. Er werd een meekrapfabriekje gebouwd en een huis voor de dokter. Meekrap is een verfstof die wordt gemaakt uit de wortels van de meekrapplant. Fijngestampt geven de wortels een poeder waaruit de rode verfstof werd gemaakt die onder meer werd gebruikt om textiel, bijvoorbeeld baaien rokken, te kleuren. Overigens moesten de boeren oppassen dat de koeien de meekrapwortels niet opaten want dan gaven ze rode melk en kregen bovendien de koeienbotten na verloop van tijd een rode kleur. De meekrapindustrie floreerde totdat er chemische verven op de markt kwamen hetgeen de doodsteek voor de meekrap betekende.
Opnieuw verviel Kolhorn tot armoede. Achteraf is die armoede het behoud van Kolhorn geweest. Omdat het geld ontbrak voor uitbreidingen en nieuwbouw bleef alles zoals het was, vervallen vaak, maar bewaard. In de periode dat burgemeester Haanstra de scepter zwaaide werd een begin gemaakt met een herstel dat onder de bezielende leiding van mensen als de bekende Kolhorner Puck de Groote nog altijd voortduurt. Kolhorn is een geliefde woonplek geworden waar toeristen graag wandelen langs de huizen met de overtuintjes aan het water. Wie iets weet van de geschiedenis herkent de momenten uit het verleden. De muren van de kerk verraden de restanten die over waren na de brand. Er zijn de vissershuisjes, de winkeltjes voor de schippers, de turfschuren, de boerderijen en rentenierswoning, de pastorie en het huis van de Zeeuwse dokter.
| |  |
Kolhorn is ontdekt door de watersporters die er graag even aanleggen. Er bestaan plannen om een stuk van het land tegen de dijk weer onder water te zetten om ruimte te bieden voor de plezierjachtjes. Opnieuw zal Kolhorn dan weer aan het water liggen, zij het niet langer de dreigende Zuiderzee.
INFORMATIE
Museum De Turfschuur Westfriesdijk 66/b tel: 0224-533247 Open in de maanden mei t/m sept. Vr t/m zo van 13.00 tot 17.00 en op afspraak voor groepen via tel: 0224-541581
Stichting Varend Erfgoed Kolhorn Er is een Staverse Jol bewaard gebleven uit de tijd van de ansjovisvisserij. Het schip de Jansje Johanna is aangkocht door de stichting Varend Erfgoed Kolhorn en in restauratie genomen. Daarnaast is een Westfriese aak, de Dirk Pieter, die als beurtschip heeft dienst gedaan, door de stichting verworven.
Na restauratie zullen de schepen worden gebruikt voor tochten in de omgeving. Donateurs kunnen zich opgeven bij Bert Siezen tel 0224-531615
WETENSWAARDIGHEDEN De naam Kolhorn, vroeger geschreven Colhorn, is afgeleid van de woorden col en horn. Het middelnederlandse woord hoirne betekent hoek. Col wordt verondersteld koud te betekenen. Colhorn is dan de koude hoek, een toepasselijke naam voor de noordelijke bocht van de dijk. Col zou dan van cold of kalt komen. In de middeleeuwen betekende col echter ook ronde kop, verhoging aan het eind van het land en dat zou ook een heel goede en makkelijk te verklaren naam zijn voor wie de oude kaarten bekijkt.
De brand van 1788 Stukje uit het gedicht van honderdzestig regels dat Symon Butter, de kastelijn van Kolhorn schreef naar aanleiding van de grote brand.
‘T is van een felle Brand daar ik van melden sal COLHORN hiet het dorp het legt beoosten Schagen Daar is de Brand geschied ‘t geen wy met droevheyd sagen Al in September Maarnd op den vyftienden Dag De klok had nog geen vyf maar even op het slag Doe sat ik by myn haart in stilheyd en gedagte Ik hoord’ een naar geween een droef en jammer klagte Ik hoord’ een geroep met eyselyk geschrey Daar ‘s Brand, een felle Brand, al in de Bakkery Ik heb op dit geroep my gants niet lang berade Ik quaem daar by om mee te dempen dese schade We quamen met de Spuyt o wonder kleyn verstant En hebben hem geplaetst beneden Wint en Brant Daar waren wy confues en stonden haast verlegen Wy hadden Wint en Rook en Brand en alles tegen Wij moeten agterwaarts en wyke voor de Brant.
(Bij de brand gingen de kerk en 21 huizen in vlammen op. 36 gezinnen raakten dakloos)
Dames in Westfries kostuum, v.l.n.r.: Nies van der Pal, Barbara Donker en Gré de Groot-Zweed

|