HomearrowTelevisiearrowMooi Noord-Holland 2000arrowAflevering 11
Aflevering 11
Jaapje, Jaap, Jacob
De carrière van een weesjongen

Het verhaal
mnh_2000_11_a_Looy_tuinAls jongetje van vijf belandde Jaapje van Looy, samen met zijn zusjes Kee en Jansje in het weeshuis aan het Groot Heiligland in Haarlem, het gebouw dat nu het Frans Halsmuseum huisvest. De kinderen sliepen boven in een grote zaal. De schrale maaltijden werden opgediend  in de eetzaal. De school was in het gebouw.
Eenmaal per week werden de kinderen afgeschrobd in de waskeuken. Wie ondeugend was kreeg een pak slaag en werd eenzaam opgesloten. De wereld van de gevoelige Jaapje was hard en benauwd. Zelfs zijn zusjes die streng gescheiden woonden op de meisjesafdeling zag hij zelden of nooit. Later heeft hij de sfeer prachtig beschreven in de trilogie: Jaapje, Jaap, Jacob, bijvoorbeeld die warme zomeravond toen onweer dreigde:
 
"Te hoop gescholen zaten zij op een bank bij de tafel onder het flakkerend gas, de meisjes in hun nachtjurk, de jongens in hanssop, bibberig langs hun rug, de bloote beenen door de vrees verkrompen. "Mach! ", riep de moeder. "Ga en keer oogenblikkelijk de spiegel in mijn kamer om." Ze strikte de band om haar middel en zeide: "Zondaarskinderen, bidt dat de Heer je niet treffe in Zijn toorn, het onweer is vlak boven het Huis." 

Op elfjarige leeftijd moest Jaap geld verdienen voor het weeshuis en een vak leren. 
Dat betekende dat een deel van zijn leven zich buiten het weeshuis afspeelde. Er ging een wereld voor Jaap open. Hij liep door Haarlem, moest boodschappen doen en kwam in aanraking met het bruisende leven van alledag. Eerst werkte Jaap op een drukkerij. Toen hij vijftien was kwam hij in de leer bij een rijtuigschilder. Later beschreef hij de ramp die daar plaats vond, nadat de baas een rijtuig had afgelakt:
 
"Jaap hield de wacht in 't schemerig ruimtetje. Zijn adem inhoudend bijna en zonder drukken op den grond, bewoog hij achter het rijtuig om, vol ontzag voor de watergladde paneelen. En toen, ineens, schrok hij zich koud, hij had in het achterpaneel, 't gevreesde grijze vlekje gezien.
"Baas!"riep Jaap gedempt om de hoek van de deur, "er zit een mot in het achterpaneel.
""Ach, lieve Jezis!", kreet de baas en kwam met dikke knieën aangestapt. Hij stond er voor, keek de vernieling stijf aan; het zat bijna middenin, dicht bij het raampje; de baas zijn gezicht was akelig grauw; hij draaide zich om, waggelde, greep, naar boven en trok zich de haren uit zijn kop." 

 

mnh_2000_11_d_Looy_reizigerderdeklas    

 
's Avonds ging Jaap naar de avondschool, waar hij vooral opviel door zijn tekentalent. Zijn leraar adviseerde de regenten om de jongen naar de academie te sturen, maar daar was geen geld voor. Gelukkig had een van de regentessen voor Jaap van jongsaf aan een zwak. Zij krijgt het geld bij elkaar om hem te laten studeren. Bij het eindexamen valt Jaap op met zijn schilderij Eva en Abel, het bijbelse verhaal van de broedermoord van Kaïn en Abel.

In datzelfde jaar wint Jaap een gedeelde Prix de Rome en gaat hij op reis naar Italië. De jonge schilder zwelgt in de nieuwe indrukken. Hij werd bevangen door reiskoorts die hem later onder meer naar Noord-Afrika bracht, waar hij tot prachtig werk werd geïnspireerd. Hij ontmoet kunstenaars uit alle windstreken, vluchtige maar voor Van Looy onvergetelijke ontmoetingen.
 
"Wij gingen op dezelfde eigendommelijke wijze van elkander. Hij begeleidde mij een eindje met de spoor, toen ik verder moest reizen. "Neen", zei hij langzaam toen ik aandrong af en toe elkander een brief te schrijven, "laten wij dat niet doen; laten wij elkaar de hand nog eens drukken, niet de herinnering bederven van ons aangenaam, samenzijn."   
 
De volwassen Jacob blijkt over een dubbeltalent te beschikken: schilderen en schrijven. Hij vertelt verhalen met zijn schilderijen. Hij schildert met woorden. Zijn onderwerpen zijn veelzijdig. Jonge kinderen op het platteland, zoals Aaltje met de geit. De natuur om hem heen, de bloemen in zijn tuin.

En altijd is er de bewogenheid met verschoppelingen in de maatschappij, weerlozen om hem heen. De passagiers in de derde klas coupé van een trein, het arme jongetje met een bult dat jong sterft:
Van Looy die vanuit zijn eigen harde jeugd veel begrip had voor verschoppelingen om hem heen en vooral als het kinderen betrof, had erg te doen met het ongelukkige jongetje, hij zag hem regelmatig en stopte het kind dan lekkernijen toe, zoals een stuk chocolade. Toen het kind stierf in de winter van 1892, schreef hij een gedicht:
 
mnh_2000_11_c_Looy_bultenaarTer nagedachtenis aan 't bultenaartje
W.H. gestorven in 't St. Elisabeth Gesticht te H.
 
- " 't water, zei de vrouw, is om 't hart geslagen-
't water, d'hydropsie, 't water kort en goed,
Dat 't buikje dik, de handen glimmen doet.
_ Jong'  zooveel voer niet  te gelijk verdragen
 
Kon je? Jong 'dankie zeggen - alle dagen -
Krom heerschap, was mijn chocolaai niet goed
genoeg? - Nu, lach niet zoo- Huup, hou je goed-
Huup! ga je nu in eene mooien wagen?
 
Leukert - dat soepje, hè, maar eens gegeten.
Koolsoep, van stronkjes, door een buurvrouw, rijk
want, honger nooit, de mestvaalt opgesmeten-
niet gaar, je zei: wat hard - O , klein arm lijk,
 
Je wou hier liggen - wie had 't je gezeid:
Dat men in 't Gasthuis goed verzorregd leit.
 
16 dec. 92
 
mnh_2000_11_g_Looy_zelfportretIn het begin had Van Looy veel succes met zijn schilderijen en werd hij gevraagd om aan allerlei exposities mee te doen. Later veranderde dat, men vond dat Van Looy niet met zijn tijd meeging. Het gevolg was dat Jacob steeds minder exposeerde. Maar zijn boeken beleefden druk op druk met als bestseller zijn Jaapje-Jaap-Jacob, het leven van een weesjongen.
Van Looy is al weer 70 jaar dood. Zijn boeken zijn zo goed als vergeten.
Maar zijn schilderijen staan weer volop in de belangstelling. Doeken die misschien wel het best kunnen worden ervaren door er naar te kijken en tegelijk te luisteren naar wat de kunstenaar met het dubbele talent er zelf over heeft gezegd.
 
"Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een armzalige levende kop er aan, het haar voelde stug en koud ... het zachte gedons onder de buik was aan elkaar gekleefd en tot piekjes bevroren.
Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou overal..
Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is stil een groot leed komen opzwellen naar mijn ogen."
  
ACTUELE INFORMATIE 

Frans Halsmuseum
De Stichting Jacobus van Looy beheert zorgvuldig de nalatenschap van de schilder-schrijver, onder meer zijn manuscripten, persoonlijke bezittingen waaronder zijn palet en reiskoffer, en een collectie schilderijen en tekeningen. De nalatenschap wordt bewaard in het Frans Halsmuseum maar is niet voortdurend voor bezoekers te zien. Regelmatig worden schilderijen en andere zaken uitgeleend of gebruikt voor onderzoek of voor een televisieprogramma zoals in de serie Mooi Noord-Holland.
 
Frans Halsmuseum Groot Heiligland 62  Postbus 3365 , 2001 DJ Haarlem
tel: 023-5115775    fax: 023-5115776  website: www.franshalsmuseum.nl
 
Catalogus
In 1998 organiseerde het Frans Halsmuseum een overzichtstentoonstelling met schilderijen en tekeningen van Jacobus van Looy waarmee de schilder weer onder de aandacht van velen werd gebracht. Daarbij verscheen een uitvoerige - helaas uitverkochte - catalogus uitgegeven in samenwerking met Waanders Uitgevers in Zwolle en geschreven door Jacqueline Bel, René Boitelle, Enno Endt, Joyce van der Smit-Meyer en Chris Will.
 
In het Frans Halsmuseum is nog wel verkrijgbaar de brochure Jacobus van Looy, schilder van huis uit, schrijver door toevallige omstandigheden, in de reeks Kijken in Haarlem Extra no. 6. Geschreven door Mieke van der Wal
 
In Antiquariaten en op rommelmarkten duiken nog regelmatig de boeken geschreven door Jacobus van Looy. Sommige beleefden meerdere drukken. Bekend zijn de bundels Feesten, Gekken en Reizen. Maar Van Looy werd vooral bekend als schrijver van de trilogie Jaapje-Jaap-Jacob. Voor 21ste eeuwse lezers zijn de verhalen van Van Looy wellicht wat breedvoerig, terwijl het uit de tijd van de Tachtigers daterende gebruik van nieuwe en beeldende woorden voor de moderne lezer te gezocht en gekunsteld is, maar voor wie daar doorheen leest is het proza van Van Looy zo beeldend en zo passend bij zijn manier van zien dat het lezen van een verhaal of een gedicht bijna noodzaak is om zijn schilderijen ten volle te waarderen. Een voorbeeld daarvan is het verhaaltje bij de in 1888 geschilderde dode poes, waaruit hieronder een fragment.
 
Bij de dood van mijn poes
 
...... Was dat mijn poes, mijn kleine poes? Neen, neen, dat was een vreemd beest, een oud beest, een verlopen beest. Waar waren haar jonge ogen, haar klein kinderronde ogen? Waar haar mooi vel met de glimmende runen? Waar haar ijdele staart, en waar, het heerlijke fluweel van haar oortjes? Neen, verdoemd, dat waren de vage ogen van een zielig mens, overgeplant in een vreemde omgveing. Dat was ziek gekijk, niet dat van mijn beestje ... verdoemd.
Miauw! ... wat een ver geluid ... Dat kwam nog uit het land, dat kwam nog van de straat, en 'k had het wel gezien, het bekje van binnen was niet rood meer, maar blauwwit, nachtwit, winterwit, doodwit ...
...Miauw! ... "Schei uit, beest. Schei uit, of 'k jaag je weg ..."
In mijn stoel en aan 't redeneren: "Waar kom je vandaan? Waar heb je zolang gezeten hé?" ...
"Heb je geen honger? Al drie dagen staat daar vlees en brood en melk, waar ben je geweest in al die kou, naar beest.
"Kom dan maar hier. Ben je koud, daar is de kachel. Kom je niet?"
Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een armzalige levende kop er aan, het haar voelde stug en koud ... het zachte gedons onder de buik was aan elkaar gekleefd en tot piekjes bevroren. Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou overal ...
Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is stil een groot leed komen opzwellen naar mijn ogen. 
 
WETENSWAARDIGHEDEN 
mnh_2000_11_e_Looy_stillevenJacobus van Looy ontwikkelde zich als schilder en schrijver in de tijd van de "Tachtigers", schilders en vooral schrijvers die zich bezig hielden met nieuwe wegen in de kunst. Van Looy onderhield met hem contact zowel wat betreft zijn schilder- als zijn schrijfkunst. Hij ging om met kunstenaars als Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos, Willem Witsen, Jan Veth en Albert Verwey. Toch paste hij niet in hun kring. Hun eindeloos getheoretiseer stond hem tegen. Hun "kunst-voor-de-kunst" principe stond  hem tegen. Hij geloofde niet in stromingen als het symbolisme. Van Looy had geleerd om aan te pakken, hij zag zijn schilderen en schrijven als een ambacht en werkte het liefst naar de natuur en de wereld om hem heen zoals hij die zag. Gaandeweg kregen de critici minder waardering voor zijn werk. Men probeerde Van Looy als het ware te dwingen nieuwe stromingen te volgen en wanneer hij zijn eigen gang bleef gaan werd hij als ouderwets versleten. Zijn schilderij Elsje, een weesmeisje, gemaakt in 1887, bijvoorbeeld werd met gemengde gevoelens ontvangen en voor lelijk en idioot versleten. Omgekeerd kon Van Looy vaak weinig waardering opbrengen voor het vernieuwende werk van tijdgenoten. Als jurylid vond Van Looy bijvoorbeeld dat het ingezonden werk van Jan Sluyters geen basis vormde voor het verlenen van een studiebeurs. De toenemende kritiek op de schilderijen van Van Looy had tot gevolg dat hij zich meer en meer terug trok uit de kunstenaarswereld en zijn werk niet of nauwelijks meer exposeerde. De bijval voor zijn literaire werk vond hij in de aandacht van het grote publiek dat zijn boeken met zoveel graagte las dat de ene na de andere herdruk verscheen.
Anno 2000 is de belangstelling voor de boeken van Van Looy ernstig verflauwd. Het tegenovergestelde is het geval met de schilderijen die in het kader van de herleefde belangstelling voor de 19de eeuw zeer gewaardeerd worden.
 
mnh_2000_11_f_Looy_eliasPrix de Rome
Een belangrijke prijs voor jonge kunstenaars in de tijd van Van Looy was de "Prix de Rome". Deze staatsprijs  werd in Nederland ingesteld in het jaar 1870, naar Frans voorbeeld, en gold voor diverse categorieën beeldende kunsten. De winnaar kreeg een penning, geld voor een verplicht verblijf in Rome, gevolgd door een studiereis van maximaal vier jaar. Van Looy was blij met zijn prijs hoewel zijn vreugde werd getemperd door het feit dat hij de prijs moest delen met de schilder Jan Dunselman.
Het doek waarmee Van Looy de prijs won is een opmerkelijk groot doek. Evenals zijn eindexamenstuk Eva en Abel, gebaseerd op een bijbels verhaal. Op de dorre grond knielt de profeet  Elia neer, smekend om regen. Op de achtergrond komt het knechtje van Elia aangedraafd wijzend op een naderend wolkje. Het is een wonderlijk ventje gehuld in merkwaardige lappen waarvan ook de jury vond dat Van Looy "tekortgeschoten was in de draperieën van het profeetenknechtje."
Van Looy was woedend over de gedeelde prijs, hij overwoog zelfs om te weigeren, maar de verlokkingen van een reis naar Rome waren sterker dan zijn verontwaardiging. Gelukkig maar want zijn Italiaanse reis inspireerde hem zeer en maakte de reislust in hem wakker, waaraan we onder meer de later in Marokko gemaakte tekeningen te danken hebben.
 
Barsten in de verf 
De schilderijen van Jacobus van Looy vormen een groot probleem voor de restauratoren. Gelukkig stellen de moderne technieken ons in staat om zijn werk te conserveren en waar nodig te herstellen. Uitgebreide onderzoeken naar de schilderijen die in deplorabele toestand waren, overdekt met barsten, zakken van de verf, hebben uitgewezen dat Van Looy over het algemeen goede verf gebruikte. Bovendien wist hij met verf om te gaan, niet voor niets had hij een gedegen opleiding gevolgd bij een rijtuigschilder. Gebleken is echter dat Van Looy niet snel tevreden was over het resultaat wanneer hij een schilderij had geschilderd. Zijn onzekerheid gaf hem niet de rust om de verf goed te laten drogen. Hij gebruikte teveel siccatief om het drogen te versnellen, of schilderde nat in nat, met als gevolg barstjes, doorlopen van de verf in andere lagen en grote schade op de lange duur. Gelukkig zijn de schilderijen die berusten onder de hoede van de stichting Jacobus van Looy voor het grootste deel weer in perfecte staat gebracht.
 
Dubbeltalent
Gold bij de klassieken of in het Italië van de renaissance het bezitten van meerdere talenten als een groot voorrecht en een hulpmiddel om de status van "homo universalis", de complete mens, te bereiken, in het calvinistische Nederland was dat zeker niet het geval. Tussen schrijvers en schilders bestond de discrepantie over het belang van schilder- boven schrijfkunst of omgekeerd. Schilders die gingen schrijven of schrijvers die zich aan schilderen waagden werden door hun collega's gewantrouwd en door de kritiek onder het mom van het vermaledijde gezegde "schoenmaker houd je bij je leest" neergesabeld. Voor de onzekere en voor kritiek gevoelige Van Looy was dat funest. Weliswaar werden zowel zijn literaire werk als zijn schilderkunst gewaardeerd maar op den duur boog Van Looy toch voor de kritiek. Zijn doeken exposeerde hij niet of nauwelijks meer en schilderijen en tekeningen maakte hij voornamelijk voor vrienden en voor zichzelf. Met zijn boeken ging dat anders. Het lezerspubliek gaf van zijn waardering blijk door eenvoudigweg gretig boeken te blijven kopen zodat herdruk op herdruk volgde, een riem onder het hart van iedere schrijver.  De beste criticus is de tijd, omziend na een eeuw kan men constateren dat het schilderwerk van Van Looy buitengewoon wordt gewaardeerd,  een verschijnsel passend in de hernieuwde belangstelling voor de 19de eeuw en dan niet alleen het Haagse- of Amsterdamse impressionisme, maar ook de romantiek en het realisme van Van Looy. De boeken van Van Looy zijn voor de moderne lezer wat ouderwets,  de neologismen in het spoor van de Tachtigers vaak te gewild, de beschrijvingen soms te omslachtig, maar daar staat tegenover dat Van Looy een enorm beeldend  vermogen bezit dat zowel in het schilderen  als het schrijven tot uitdrukking komt. Wie echt wil doordringen tot de kern van de schilderijen doet er goed aan bijvoorbeeld de verhalen over zijn jeugd in het weeshuis op te slaan bij het beschouwen van schilderijen als  het weesmeisje of het bultenaartje, of de novelle over de dood van zijn kat. Hoe vaak wordt niet verzucht: "Wisten we maar wat de schilder bewoog, maar hij heeft er niets over gezegd of geschreven. "Welnu de boeken, gedichten, aantekeningen en brieven van Van Looy geven ons ruimschoots gelegenheid om diep in zijn schilderijen en tekeningen door te dringen."
 
Kloos over Van Looy
De dichter Willem Kloos schreef het volgende stukje over het dubbeltalent van Jacobus van Looy
 
".... de van alle andere onderkenbare geestelijke eenheid, die Jac. van Looy heet, is juist daarom zoo merkwaardig. ja, eenig-bijzonder , omdat zij een dier wonderlijke boomgestalten lijkt, zooals men wel eens bij het wand'len ziet in onze Hollandsche bosschen, welke onmiddellijk bij den grond zich in twee gelijk-sterke stammen verdeelen, die beide even ferm omhoog gaan, gezond en groeienskrachtig, in één weligen overvloed van takken en levend groen, die eene stam bij Van Looy is de schilderkunst, de andere de literatuur; en evenals bij zoo'n boomgestel geen der beide uitlopers de voornaamste is: zij komen alleen maar, van elkaar onafhankelijk, uit denzelfden onderbouw van wortels en gemeenschappelijk draagvlak, zoo zijn ook de twee kunsten bij Van Looy, gelijkgerechtigd, en ofschoon zij natuurlijk van dezelfde soort zijn, en dus iets van elkander weg hebben, krijgt geen der beide kunsten (...) den meerderheidsvoorsprong, en dus de overhand." 
(Overgenomen uit de brochure over Jacobus van Looy, Kijken in Haarlem Extra no 6, UItg. Frans Halsmuseum)
 
mnh_2000_11_h_Looy_elsjeElsje
Over het schilderij, Elsje, een weesmeisje, uit 1887 schreef de recensent van het Algemeen Handelsblad:

Hoe kwam nu echter de heer Van Looy er toe, na zijne voortreffelijke studiën en goede verwachtingen die men van hem koesterde, met een excentriciteit voor den dag te komen, die veel beter gedaan had, Arti's . drempel niet te overschrijden. Elsje, zoo heet deze aberratie, zit tegen een boom. Alles is in schaduw,  behalve een lichtvlek op het voorhoofd der idiote en een soort van stralenkrans daarboven. Hem wordt veel vergeven, omdat hij op reede veel goeds geschonken heeft, maar volledige vergiffenis voor zulk een misslag kan m.i. de heer Van Looy slechts ontvangen wanneer hij spoedig met een uitmuntend kunstwerk deze vergissing doet vergeten.
 
Ook het publiek keek met gemengde gevoelens naar Elsje, zoals Van Looy zelf constateerde:
 
"t is een bijzonder kopje, een kind met een lang gezicht, zooals veel meisjes van twaalf dat hebben. Je kent dat alles, ik zie dat kind, ik schilder dat met al de goede en kwade eigenschappen van mijn koppige natuur, en voila: het publiek aan 't lachen. Nee maar, er zijn er geweest die nachtmerrie's en benarde droomen gekregen hebben, zeggen ze; anderen weer dat het een excentrikiteit was. Allerlei aardigheden, waar ik versteld van stond en even boos ben geworden ...
 
Thans wordt het intrigerende schilderij van Elsje als een der hoogtepunten in het oeuvre van Van Looy beschouwd.

 
< Vorige   Volgende >
photo_vervolg_10.jpg