Burgemeester en kunstenaar Bergen als kunstenaarsdorp
 Het verhaal Er zijn van die plaatsen waar om de één of andere reden kunstenaars gedijen. Ze wonen er graag en komen er tot grote creativiteit. Zulke plaatsen zijn bijvoorbeeld Domburg, Laren en Bergen. Dat Bergen in de loop van de twintigste eeuw zoveel kunstenaars onderdak verleende - Herman Gorter, Adriaan Roland Holst, Leo Gestel, Charlie Toorop en vele anderen - is voor een groot deel te danken aan het artistieke burgemeestersechtpaar Jacob van Reenen en Maria Völter. Jacob was opgegroeid in het ouderlijk huis dat zijn vader had gekocht in het midden van de 19de eeuw, tegelijkertijd met de heerlijkheid Bergen. Het Oude Hof huisvest nu de Volkskuniversiteit. Jacob liet voor zichzelf en zijn vrouw schuin aan de overkant het huis Kranenburgh bouwen, dat nu een museum is. Jacob en Maria hielden van kunst. Zij lieten bijvoorbeeld aan de overkant van hun huis in een warme zomermaand een tribune timmeren waar vijftienhonderd mensen een openluchtspel konden bijwonen. Door toneelspelers zoals de toen beroemde Willem Rooyaards werd het stuk Adam in Ballingschap van Joost van den Vondel opgevoerd. In een krant lezen we daarover een juichende kritiek: "De achtergrond werd gevormd door het zachte groen van asparagus en het geheel afgesloten door heerlijk opgaand hout van loofboomen. En bij de voorstelling bleek dat de accoustiek uitnemend voldeed. Men hoorde alle stemmen der medespelenden duidelijk. Er werd natuurlijk niet van decor veranderd; dit bleek trouwens ook niet noodzakelijk. Het natuurdecor verveelt niet, zooals een geschilderd. Want het is een levend iets. Men ziet de boomen wuiven, hoort het ruischen, aanschouwt het wisselend spel van licht en schaduw. Vogels vliegen soms kwetterend voorbij of meeuwen in statigen vlucht glijden op gespreide vlerken door de lucht. Men hoorde soms van verre het loeien van vee, het kraaien van een haan - geluiden,die volstrekt niet hinderlijk waren. Zeer velen woonden de voorstelling bij, die een succes te meer voor Royaards was." Van Reenen besloot grond uit te geven waarop huizen konden worden gebouwd. Onder strikte voorwaarden weliswaar. Er mochten bijvoorbeeld geen kippen of hanen worden gehouden in Bergen. Om de verbinding te verbeteren werd een spoorlijn aangelegd vanaf het station Alkmaar waarlangs vele decennia de roemruchte stoomtram Bello tufte. Van Reenen werd burgemeester van de nieuwe plaats. Zijn vrouw schreef een soort volkslied: Het liedje van de Bergenaar waarbij de componist Philip Loots de muziek schreef. Er moesten in het centrum rond de ruïnekerk een raadhuis komen met daarnaast het huis voor de schoolmeester en een postkantoor waar plechtig de eerste brief werd gepost door de dichter Herman Gorter. Die eerste huizen zo gebouwd in het begin van de 20ste eeuw waren in een soort Oudhollandse stijl, die ons nu een beetje aan pannenkoekenhuisjes doet denken, maar die men toen mooi vond passen bij de oude kerk. Weldra echter kregen architecten zoals Berlage, Kramer, Blaauw en Staal opdrachten om huizen in Bergen te bouwen. Hun vaak welgestelde opdrachtgevers gaven de bouwmeesters de kans om zich helemaal uit te leven. Ze werkten in de nieuwe stijlen van hun tijd: Art Nouveau, Amsterdamse School. De Stijl. Het gevolg was dat Bergen een voorbeeld werd van architectuur uit heel verschillende perioden in de twintigste eeuw. Bergen is als het ware een leerboek van de moderne architectuur waar we heel zuinig op moeten zijn. Al spoedig vestigden zich in Bergen de eerste kunstenaars zoals Jaap Veldheer en zijn vriend Job Graadt van Roggen. Ze woonden met hun echtgenotes als buren aan de Russenweg. Hun huizen en het atelier van Graadt van Roggen staan er nog steeds. Job Graadt van Roggen werd het bekendst van de twee. Hij was als dreumes van de trap gevallen en door dat ongeluk doof geworden. Dat had als gevolg dat hij naar school ging op het doveninstituut in Groningen waar heel veel tijd werd besteed aan creativiteit, zodat Job alle kans had zich te ontwikkelen. Hij werd vooral bekend door zijn etsen, hoewel het fijne werk met de etsnaald hem op den duur niet bevredigde en hij in de schilderkunst meer mogelijkheden vond om het licht en de ruimte van de landschappen in Bergen, maar ook de impressies van zijn vele reizen door Europa, uit te werken.  ACTUELE INFORMATIE
Museum Kranenburgh Het vroegere woonhuis van het burgemeestersechtpaar Van Reenen huisvest nu een museum dat in een voortdurende reeks interessante exposities de Bergense kunst en raakvlakken daarmee belicht.
Museum Kranenburgh Bergen Hoflaan 26, Postbus 101, 1860 AC Bergen (NH) e-mail: Museum
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken
tel: 072-5898927 fax: 072-5899106 open: di. t/m zon. 13-17 uur Bello Het stoomtrammetje Alkmaar-Bergen is niet meer. Maar Bello rijdt nog steeds. Nu als een van de locomotieven van de Museum Spoorlijn Hoorn-Medemblik tel: 0229-214862 fax: 0229-216653 De Museum Spoorlijn heeft ook een heel leuke website compleet met rijdende treintjes: www.stoomtram.demon.nl ACHTERGRONDINFORMATIE
Boeken In Museum Kranenburgh is een welvoorziene museumwinkel, wij plukten er uit: -Bouwkunst in Bergen aan Zee, 1900-1940 Een handzaam gidsje met plattegrond en fotootjes van de belangrijkste huizen in Bergen uit de diverse periodes met korte informatie over de architecten en de stijlen. - Brochure De eerste kunstenaars in Bergen (NH) rond 1900 Met onder meer informatie over Job Graadt van Roggen. Nr. 9 in de reeks Kranenburgh Cahiers - Nog verkrijgbaar de reprint van het in 1943 verschenen boek De Bergensche School door de journalist D.A. Klomp die veel van de Bergense kunstenaars uit zijn tijd persoonlijk kende. - "Er moeten nogal wat halve-garen wonen" De titel - ontleend aan een uitspraak van Nescio over de Bergenaren -uit een heerlijk boekje geschreven door Willem van Toorn vol verhalen en anekdotes over het wonderlijke kunstenaarswereldje van Bergen in de 20ste eeuw Citaten "Ken je Bergen binnen? Een urbaan plaatsje, met twee aardige hotelletjes bij de ruïne, tal van koekebakkers & sigarenwinkels en zelfs een vrij goeie 'middelbow' boekwinkel. Er moeten nogal wat halve-garen wonen, maar die zie je niet. Een niet al te banale drukte van zomergasten." (Nescio, in een brief uit 1951) "Ik zie naar ieder wind Op elke verre kust Doch in mij zelve vindt Gij aller streken rust." (Opschrift op het huis van Adama van Scheltema 'De Windroos', gebouwd in 1912, nu Adama van Scheltemalaan no. 4) Wat doet een man? Hij geeft de zee namen Hij gaat naar het strand Hij geeft de zee een naam Hij geeft zijn taal aan de zee Hij geeft aan de zee de mond van de aarde Hij geeft alle namen aan de zee (Jan Arends, luchpauzegedichten, geschreven voor A. Roland Holst) "Zoals het melkig licht stroomt over de Vuurblauwe zee, een totaal klaren dag. De menschen op het land baden zich in Het licht, en van den donkren hemel stroomt Het blauw als vuur langs alle kanten des koepels." (Uit Pan van Herman Gorter, geschreven in het huis aan de Verbrande Panweg in Bergen) "..... De voorjaarshemel is al blauw. De wilgen vormen een scherm van zilver loofwerk buiten het venster. Rondom, wijd en zijd, het Noordhollandse landschap met hier en daar het puntdak van een boerenplaats, omringd door zwaar geboomte. Geheel in de verte de duinenrij. Stilte, tastbare stilte, verbroken en verdiept door het leeuwerikslied en de schier hoorbare adem van de onzichtbare zee." (Geschreven door Martinus Nijhoff bij de zestigste verjaardag van A. Roland Holst)
Het liedje van den Bergenaar tekst: mevrouw M. van Reenen-Völter (op muziek gezet door Philip Loots) Ik heb het lief, mijn dorpje klein Daar aan der duinen rand. Zoo lieflijk, zoo vol zonneschijn Is geen in 't heele land Ik heb ze lief, de huisjes laag Verscholen in het groen, Omgeven door een Meidoornhaag En geurig bloemfestoen Ik heb het lief, het bosch zoo wijd, De mooie sparrenlaan, Waar eik en dennen zijd aan zijd, Naast hooge beuken staan. Waar nachtegaal en merel zingt In 't jonge kreupelhout, Waar het gekweel der lijster klinkt, Zijn nest de reiger bouwt. Ik heb het lief, het blonde duin, Waar ver ik dwalen kan, In zijne pannen teer en fijn Veel wondre bloemen staan Ik heb het lief, het Bergerstrand, De groote, wijde zee, De golven brengen op het zand Veel duizend schelpjes mee. Ze gaan en komen, zonder rust, Nu blauw, dan zilvergrijs; Ze breken schuimend op de kust En zingen deze wijs: Heil Bergen, heil het dorpje klein, Daar aan der duinen rand; Zoo lief'lijk, zoo vol zonneschijn, Is geen in 't heele land.
|