Elburg Muurhuizen en hofjes
Ellestraat Bij het naderen van Elburg vanuit Flevoland voert de weg vlak langs een klein natuurgebiedje vol vogels en velerlei kruiden: Het Greppelveld. Dwars daar doorheen loopt een pier. Het is nauwelijks voor te stellen, maar eeuwen lang voeren hier de schepen van kooplui en vissers voorbij vanuit de haven naar zee, waarbij de dam hen beschermde tegen de wind. Al in het begin van de 13de eeuw was hier een stadje. Twee eeuwen later gaf de hertog van Gelre zijn rentmeester Arent thoe Boecop opdracht het stadje wat op te schuiven verder weg van de gevaarlijke zee en er een stevige vesting van te maken. Arent hield niet van half werk. In vier jaar stampte hij een rechthoekig stadje uit de grond met kaarsrechte straten. Van het oude Elburg bleef alleen de Ellestraat over. Elle betekent oud, het is de enige straat in Elburg die krom loopt. Arent vergat zijn opdrachtgever niet want hij bouwde voor de hertog een prachtig huis dat deze vervolgens genereus weer aan Arent gaf, zodat de rentmeester er zelf in kon gaan wonen.
Muren en torens Van de vier poorten van Elburg is alleen de Vischpoort bewaard gebleven om de eenvoudige reden dat hij als vuurtoren diende en de vissers hem niet konden missen. Vlak bij de toren ligt Neerlands Bergje, het is één van de vier bastions die de verdedigingswerken van Elburg vormen. Het is een bergje van niks, maar het is beroemd geworden door een oud volksliedje:
Toen ik op Neerlands Bergje stond keek ik het zeegat in Daar zag ik een scheepje zeilen Daar zaten drie ruitertjes in Een van de drie was naar mijn zin
Kazematten In de wallen liggen kazematten. Dat komt van het Spaanse ‘casamata’dat kelder of hol betekent. Het zijn geschutskelders in de aarden wal vanwaar met kanonnen en musketten op de vijand werd geschoten als deze probeerde de grachten over te steken. Een deel van de kazematten in Elburg is pas in 1921 terug gevonden. Er wordt verteld dat een stel wichelroede lopers in Elburg aan het werk was en dat toen onder meer de gangen naast de Vischpoort werden gevonden. Het was hier niet prettig om als soldaat te zitten en kanonnen af te schieten. Zo'n ruimte werd niet voor niets een "moordkuil" genoemd.
Muurhuizen Om een vestingstadje kun je geen huizen bouwen want dan kan de vijand zich verschuilen. Toen er meer mensen in Elburg wilden wonen werd iedere vierkante meter volgebouwd. De armste mensen bouwden een huisjes tegen de stadsmuur, dat scheelde een heleboel stenen.
Vanaf de Meent, de vroegere gemeenschappelijke weide, steekt boven een mooi oud stuk stadsmuur de toren van de Sint Nicolaaskerk uit. Vroeger had de toren een prachtige spits maar die werd in de zomer van 1693 door de bliksem getroffen en door brand verwoest. De spits stortte naar beneden en verwoestte een stuk van de muren. De klokken vielen dwars door het dak van de kerk aan stukken. De kerk heeft een prachtig orgel, er is ook een koororgeltje dat de heer Seijbel, oprichter van het orgelmuseum in Elburg, letterlijk van de straat heeft gered. Seijbel houdt behalve van orgels ook van klokken want hij is lid van het klokkenluidersgilde dat iedere zaterdag om zes uur ‘s middags alle vier de klokken van de Sint Nicolaaskerk laat klinken.
Hofje Een van de praalgraven in de kerk is dat van mevrouw Feith Toen de rijke Maria Catharina Feith stierf waren haar erfgenamen niet erg gelukkig met het testament want alle bezittingen waren bestemd om een hofje te bouwen voor 24 arme bejaarden. Er werden vijf dominees aangesteld als regent. Voor hun moeite kregen ze ieder jaar twee vaatjes wijn en met Sint Maarten een vette gans. Het hofje staat er nog altijd in volle glorie, zoals zoveel oude gebouwen in het Zuiderzeestadje.
Het leuke van Elburg is dat in een rechthoek van 400 bij 250 meter alles te vinden is wat bij een oud stadje hoort. Kerken, kloosters, een synagoge, een haven, poorten en vestingwerken, hofjes, weeshuizen en scholen, een haven, een lijnbaan en kruidentuinen, markten en winkels.
Museum Het Gemeentemuseum van Elburg is gehuisvest in het vroegere Agnietenklooster. Naast een aantrekkelijk collectie schilderijen veelal met pittoreske hoekjes van de stad als onderwerp, staat het museum vol met herinneringen aan het voormalige stadsleven. Natuurlijk is er aandacht voor de vissers die tot de Zuiderzee werd droog gelegd met hun botters er op uit trokken. Als de zee was dicht gevroren gingen zij niet bij de pakken neerzitten, maar schoven een grote werkslee over het ijs om ver buiten de kust een bijt te hakken waardoor zij vis wisten boven te halen. Een uniek voorwerp is een grote schandbank waarop mensen die kwaad hadden gedaan midden in de stad voor schut werden gezet. Iemand heeft er wel acht dagen op gezeten, met zijn benen gekluisterd door gaten aan het voeteneinde. Hij kraste zijn verontwaardiging in het hout:
Paas maandag 1609 Toen ik in de stok lag Toen lag ik daar acht dagen in, nota bene.
Lijnbaan Een groot wiel herinnert aan de lijnbaan. De botters en andere zeilschepen hadden veel touw nodig en dat werd in allerlei diktes en lengten gemaakt door de touwslager die een lijnbaan had bij de Vischpoort net buiten de stadsmuren. De lijnbaan is er nog steeds en dat niet alleen, hij werkt nog altijd en daarmee is deze lijnbaan van de gebroeders Deetman de oudste nog werkende lijnbaan in het land. Er wordt nu vooral touw gemaakt voor de watersporters.
Kruiden Achter het museum is een de oude kloostertuin, een stukje is ingericht als kruidentuin en herinnert aan de tijd dat monniken en nonnen onder meer als taak hadden om de zieken te verzorgen. Zij hadden een grote kennis van kruiden. Elburg heeft iets met kruiden. Er is aan de Ellestraat nog een kruidentuin: De Groene Kruithof en aan de rand van de stad is het bedrijf van Biohorma, waar op basis van kruiden nog steeds, zij het op een moderne manier met laboratoria en eigentijdse verpakkingsmethoden medicijnen worden gemaakt volgens de principes van dokter Vogel. Er is een bezoekerscentrum en de prachtige tuinen waaronder ook een kloostertuin zijn een bezoek meer dan waard.
Info: Gemeentemuseum Elburg: www.museumelburg.nl Biohorma: www.biohorma.nl |